Met beleidsmakers alleen ga je het niet meer redden in deze wereld

Cicero schreef al meer dan 2000 jaar geleden wijze lessen over het besturen van de Staat. Vandaag de dag valt er nog veel van te leren. Leiderschap komt je niet zo maar aanwaaien. Het is de kunst om met een goede timing de goede dingen te doen en te zeggen. Van Cicero heb ik altijd geprobeerd in ieder geval twee lessen in de praktijk te brengen. De ene is dat het geen teken van zwakte is om compromissen te sluiten. De andere daagt de leider uit om te zorgen voor loyaliteit om zich heen. Ontegenzeggelijk zijn er verbanden tussen beide en er zijn vele varianten, die ons helpen in goed bestuur. Onlangs mocht ik gesprekken voeren met de naaste medewerkers van Obama, die hij had gevraagd hem te helpen de digitale overheid (e Government) verder te ontwikkelen. Beide met een sterk technische achtergrond, die om te beginnen Obama-care uit het digitale slop moesten halen en dan verder. Het beleid was vastgelopen en de kennis ontbrak om de goede dingen te doen. "If you don't speak Spanish, get someone who does" was het devies. En dus kwamen er "techies" in de top. Met beleidsmakers alleen ga je het niet meer redden in deze wereld. Obama weet zich verzekerd van grote loyaliteit van bedrijven als Google en Microsoft en de besten uit hun stal zijn nu de eerste adviseurs van de President. En het helpt.....een mooie les.

“Get the President as your biggest supporter”

Het aardige is dat Obama ook laat weten hun werk van cruciaal belang te vinden voor het vormen van de nieuwe digitale overheid. "Get the President as your biggest supporter" is het motto en dat zet heel veel in beweging. Die uitdaging ligt er voor onze MP, die als geen ander aanvoelt dat de overheid sneller moet inspelen op de nieuwe digitale wereld. In mijn verantwoordelijkheid als digicommissaris, indachtig de lessen van Cicero, begrijp ik best dat we compromissen hebben te sluiten en dat niet alles wat nodig is direct kan worden aangepakt. Belemmerende wetgeving kan niet van de ene op de andere dag worden omgebouwd. Maar bijvoorbeeld het besef dat we kaderwetten moeten maken in plaats van specifieke, die zijn toegesneden op nu bekende elektronische diensten (een hele uitdaging), en dat we de rol van de burger ten opzichte van de overheid anders moeten definiëren dan we gewend zijn, daar zou de MP een mooi signaal over kunnen afgeven. Dat compromissen sluiten verstandig is om zoveel mogelijk belangen mee te krijgen in de beweging naar de digitale overheid betekent niet dat het daardoor allemaal eenvoudiger wordt. De beslissing om te komen tot een eID stelsel bewijst dat. Maar de loyaliteit die daarmee wordt opgebouwd met het bedrijfsleven en binnen de overheid moet zich uitbetalen. Dat kan alleen met strakke sturing, voorspelbaar gedrag en voortdurende aandacht van de politieke top. Want het doel dat we moeten bereiken om de Nederlandse burger en het bedrijfsleven zo goed mogelijk te bedienen door digitaal veilig en betrouwbaar en consumentgericht te handelen is cruciaal. Cicero houd ik ervoor bij de hand.

Blog 200815

Wat in de maatschappij gewoon is, is dat voor de overheid nog niet

Ruim 90 procent van alle Nederlanders is dagelijks online. Ruim 80 procent gebruikt dagelijks een mobiel “device” om zaken te doen. Geen wonder dus, dat de ambitie van het huidige kabinet op dat punt helder is: over twee jaar moet iedereen die dat wil, via de digitale weg kunnen communiceren met de overheid.  Over vergunningen, om informatie te verkrijgen, om een rijbewijs te verlengen……..
Maar wat in de maatschappij gewoon is, is dat voor de overheid niet. We zijn nog lang niet zover. Het afgelopen jaar ben ik bezig geweest om eerst wat orde te scheppen in de wijze waarop de overheid met de uitdagingen van het digitale tijdperk omgaat. In opdracht van het kabinet, in goed overleg met alle bestuurslagen, departementen, en uitvoeringsorganisaties, hebben we de financiën redelijk op orde gekregen, een gezamenlijk programma opgesteld en afspraken gemaakt over de aansturing van hetgeen allemaal moet gebeuren.

"Van alle digitaal hoogontwikkelde landen bungelt de Nederlandse overheid onderaan"

Een goed begin is het halve werk, maar nu komt het er op aan. Van alle digitaal hoogontwikkelde landen bungelt de Nederlandse overheid onderaan. Het beschikbaar hebben van e-services, het werken aan open data en data driven policy, interconnectiviteit, het ontwikkelen van een e-identiteit (via een app bijvoorbeeld), voor dat alles moet heel veel werk worden verricht. En voor het doorontwikkelen van bestaande voorzieningen is initieel geld nodig. Of het nou gaat om het Handelsregister, het digitale loket of Standard Business Reporting (SBR), het gaat niet vanzelf.
Dus voor allen in de overheid is er werk aan de winkel en noodzaak te investeren; de cost gaat voor de baet uit, zoals ook uit de ervaringen in andere landen blijkt. Want in veel landen wordt aanzienlijk sneller gereageerd op wat in het maatschappelijk verkeer normaal/digitaal wordt gedaan. In Nederland zijn er prachtige voorbeelden van hoe het kan: de digitale belastingaangifte (bij wet binnenkort aan de burger verplicht gesteld), de gedigitaliseerde gemeente Molenwaard en de wijze waarop het CBS aanhaakt bij de digitale mogelijkheden.
Waarom is de Nederlandse overheid achter geraakt? Een goede analyse is op zijn plaats en ik zie het in mijn tweede jaar als Digicommissaris als opdracht om alles op alles te zetten de barrières voor de noodzakelijke doorontwikkeling te slechten. Daar hoort zeker de overweging bij om, net zoals we de burger kunnen verplichten bijvoorbeeld digitaal de belastingaangifte te doen, ook een verplichting  op te leggen aan de overheid zelf om digitale communicatie mogelijk te maken voor wie dat wil. Soms is een wortel (een beter en goedkoper werkende overheid, die daadwerkelijk de bureaucratische last door digitalisering vermindert) niet voldoende en moet de stok worden gehanteerd.

Blog 130815

Wadden

consequent en consistent
Over de bestuurlijke problematiek van de Waddenzee is al eindeloos gepalaverd en opgetekend. In de gelijknamige bundel, die in 1988 verscheen, ter voorbereiding van een congres over de wenselijkheid van een Waddenwet schreef ik een bijdrage. Vijf jaar daarvoor had ik (in bestuurlijke zin) het Waddengebied verlaten. Maar het bestuurlijk onvermogen om tot consequent en consistent beleid te komen zat me nog steeds hoog. Ik schreef : “Samenhangende wetgeving, een kaderwaddenwet, heeft alleen zin als grote bedreigingen, van rijkswege mogelijk gemaakt, met behulp van die wet worden aangepakt.” Als een rechtgeaarde lokale bestuurder in die tijd gaf ik tal van voorbeelden, waarbij (toen) onder andere de Wet geluidhinder en de Natuurbeschermingswet in het belang van verstoringen door militaire oefeningen en delfstofwinning ruimhartig werden geïnterpreteerd. De Waddenwet moest meer ruimte geven voor lokaal bestuur en de plaatselijke bevolking om de kwaliteit van het Waddengebied vast te houden.

Voor mij was in die tijd en nu nog steeds duidelijk, dat we in alle opzichten voorzichtig moeten zijn met de kwaliteit van het Waddengebied. Toen leefden we nog met grote onzekerheden over de effecten van vervuiling door onder andere PCB’s. Inzicht in die effecten waren en zijn nodig. Van alle menselijk handelen, zeg ik met overtuiging. En zeker nu het waddengebied (jammer genoeg in Nederland alleen de Waddenzee) als werelderfgoed op de kaart staat. In het essay over de “Wadden onder de waterspiegel”, dat onlangs verscheen zeg ik; “De mate van zekerheid over effecten van menselijk handelen zou bepalend moeten zijn voor de gebruiksruimte die kan worden geboden.” En over het beleid: “Goede wil, maar uitzondering en uitvluchten te over.” In het Regiecollege Waddengebied (RCW), dat ik mag voorzitten, wordt die discussie diepgaand gevoerd.

Nu weer hebben we discussies gehad over onderwerpen als de garnalenvisserij, windmolenparken en zoutwinning onder het Wad. In het blad Geografie wordt die zoutwinning in een stevig artikel “Fout zout onder de Waddenzee?” onder de loep genomen. De bodemdaling is met 4 centimeter bijvoorbeeld het viervoudige vergeleken met die boven de gasvelden van Groningen. Met hopelijk toch minder onverwachte effecten. En daar zit uiteraard de clou. In de Milieurapportage wordt het herstellend vermogen van de Wadden zo ingeschat, dat van blijvende effecten van de bodemdaling door de zoutwinning geen sprake is. Tijdelijk zullen die effecten er zeker wel zijn, zegt het NIOZ. Het permanent verdrinken van wadplaten is onwaarschijnlijk, al zal de samenstelling van het aan te voeren sediment de wadbodem qua samenstelling doen veranderen. Mijn conclusie is dat de dynamiek van de Wadden elk effect van menselijk ingrijpen en elke risico-analyse onzeker maakt. Behoud en versterking van de waarden van het Waddengebied is voor ons allemaal het uitgangspunt, ook van Rijkswege. Ook zonder een Waddenwet. En we zouden consequent en consistent de veilige kant moeten kiezen. Zoveel is zeker!

Blog 060415

Wat we zeker weten over de wadden

Sinds jaar en dag wil de mens de natuur de baas zijn. Stap voor stap wordt ongerepte natuur vervangen door iets waar de mens de hand in heeft. Deze drang wordt ingeperkt als er tegenkrachten worden georganiseerd. De strijd om de ruimte krijgt een soms religieus karakter. Toen ik rondom 1980 op Schiermonnikoog woonde, speelde het inperken van economisch handelen tegenover de kwetsbare, niet weerbare natuur.
Vandaag de dag hebben we een balans gevonden en zijn natuurbeschermers en bedrijfsleven in een goed gesprek. De uitkomst van dat gesprek is uiteraard politiek bepaald. Maar het zoeken naar een gemeenschappelijk belang heeft voorrang. De moeilijkheid is dat het zo ingewikkeld is om stevige criteria vast te leggen. Wanneer kan iets wel wanneer niet? Als het om het bestemmen, het gebruiken en het beheer gaat speelt dat steeds weer op. Over het beheer is vanuit het Regiecollege Waddengebied overeenstemming om gezamenlijk op weg te gaan naar (virtueel) één beheerder. Over de wijze van beheer zijn we het redelijk eens. Ingrijpen in het natuurlijk evenwicht zou ik daarbij afraden. Als een soort in flora of fauna drastisch krimpt of qua omvang explodeert is menselijke ingrijpen acceptabel als we daarvan de effecten kennen. Zeehondjes meenemen naar de creche en ze in obese staat terugbrengen naar het wad zie ik als een onnodige uitwas.

bas waddenOver het gebruik verkeren we nog steeds, zij het nu in een ordelijk debat, in een wereld van tegenstellingen. Soms kennen we de effecten of kunnen die redelijk voorspellen. Het plaatsen van windmolens kent in zijn effecten niet veel onzekerheden. Je kunt helder zijn in de keus: ze horen er niet en de discussie erover was overbodig. Hadden we de grenzen van het Nederlandse deel van het werelderfgoed zo ruim gelegd als in Duitsland dan was dat direct duidelijk geworden. Maar dat is niet met alle gebruik zo. Wat te zeggen van zoutwinning in de Wadden? Kennen we de effecten. Het antwoord is: we veronderstellen een zekere bodemdaling en een zekere extra suppletie van sediment. We zijn onzeker en dan moet je in de Wadden zeer terughoudend zijn met menselijk ingrijpen. De mate van zekerheid over effecten van menselijk handelen zou bepalend moeten zijn voor de ruimte, die kan worden geboden. Bij de garnalenvisserij bijvoorbeeld zien we verstoring van de zeebodem, maar onduidelijk is waar de grens van het natuurlijk evenwicht is. Dan is er maar één opstelling aanvaardbaar: kies de veilige kant. Op onzekerheden mag geen beleid worden gemaakt.

Ja beleid dus: in de trits bestemming, gebruik en beheer is het beleid een moeilijk stuurbaar geheel. Veel lippendiensten mooi geformuleerd op glanzend papier. De goede wil is er, maar uitzonderingen en uitvluchten te over. Toegegeven, het is ook niet eenvoudig om een balans van de waarden van de natuur en het economisch perspectief steeds goed te verbinden. Dat vraagt om dóórdenken, maar zoals eerder gememoreerd wordt er behoorlijk gediscussieerd en worden belangen helder gemaakt. Maar ieder, die zorg heeft voor het waddengebied moet investeren in de wirwar de bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Want het openen van een bestuurlijke structuurdiscussie brengt ons nu op achterstand. Het is beter organisch te werk te gaan in het bestuurlijke bouwwerk, zoals de beheerders van het wad dat nu doen. Al werkende weg komen tot duidelijk leiderschap, goed democratisch ingebed. Leiderschap dat geen ingrijpen tolereert, die de mens dominant, de baas, maakt over de wadden. Menselijk ingrijpen is alleen mogelijk als de effecten van dat ingrijpen bekend zijn en passen in het behoud en de versterking van de waarden van het waddengebied.

Bas Eenhoorn, naast Digicommissaris ook voorzitter van het Regiecollege Waddengebied.

Blog 121114

Geen tijd voor scheidsgerecht

Als we onze digitale wereld zouden vergelijken met het neurologische systeem in onze hersenen, dan zijn er veel overeenkomsten. Dat laat ik me door veel deskundiger mensen dan ik uitleggen. Er is wel eens een kortsluiting onder onze hersenpan. Niemand geeft garanties dat het altijd goed gaat. Hoe ingewikkelder hoe groter de kans dat er iets mis kan gaan. Is dat erg. Nou, nee, als we de effecten binnen perken kunnen houden en als we een signaleringssysteem hebben dat adequaat is.
En zo is het ook in de ketens en netwerken, waaruit onze digitale wereld bestaat. Om met professor Paul Frissen te spreken (De fatale staat, 2014): de overheid is er niet om alle tragiek van ons weg te houden. En ik zou aanvullend willen zeggen: datzelfde geldt voor fouten in generieke digitale infrastructuur. Als we tijdig kunnen signaleren en negatieve effecten weten te minimaliseren dan zijn we een heel eind op de goede weg. Een ongeluk is niet uit te sluiten, maar vervolgens is adequaat handelen een vereiste. Ik heb dat zelf ondervonden bij het schietdrama in Alphen aan den Rijn in 2011.

En nu was er dus een lek ergens op het scheivlak van de generieke digitale infrastructuur en het domein van een aantal gemeenten. In Nederland duiken we traditiegetrouw op de schuldvraag. Natuurlijk willen we weten wat er aan de hand was, en hoe groot het risico was, dat de digitale handtekening (de DIGID) van nogal wat mensen gepikt zou kunnen worden. En als een ander er met jouw identiteit vandoor gaat heeft dat verstrekkende gevolgen. Dus van het incident moeten we vooral leren. Niet angstig worden, niet ophouden met het verder ontwikkelen, nee juist het verbeteren van alles wat met identiteit en authenticatie te maken heeft moet hoog op de agenda. Bij mij, als digicommissaris, is dat het geval. Maar mijn regie zal er niet op gericht zijn om gebruiksvriendelijkheid totaal ondergeschikt te maken aan veiligheid. We moeten een balans zoeken.

Hoe vinden we dat evenwicht. In de eerste plaats door alles op alles te zetten een stabiel systeem te hebben. Mensen moeten kunnen vertrouwen op het huidige systeem en het te ontwikkelen eID-stelsel. De overheid kan daarbij niet voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. Met alle betrokkenen dien ik ervoor te zorgen dat er structureel geld is om alles wat onder de generieke infrastructuur valt zo goed mogelijk te regelen. Daar valt ook de dienstverlening onder, en (het stelsel van) basisregistraties en alles wat met interconnectiviteit te maken heeft. En het gaat niet alleen om beheer en onderhoud, nee, we zullen verder moeten ontwikkelen, willen we in Europa niet hopeloos achter raken. En nog belangrijker het vertrouwen van burger en bedrijfsleven in de digitale overheid te verliezen. Genoeg werk aan de winkel en er is geen tijd om schandpalen op te richten. Laten we accepteren dat in de dynamische digitale wereld, net als in onze hersenen, wel eens een kortsluitinkje kan optreden. Daar goed op voorbereid zijn en er van leren en verder ontwikkelen is dan de boodschap!

Blog 041114