AANVAARDINGSREDE DOCENT HONORAIR GEOGRAFIE, BELEID EN BESTUUR

Drs. H.B. (Bas) Eenhoorn
22 oktober 2014 , Rijksuniversiteit Groningen

Ruimte en macht, bezien in een veranderende democratie

Er zijn evenveel werkende mobiele telefoons als mensen op onze wereld: zeven miljard. Als we met elkaar communiceren gebeurt dat veelal digitaal, kijk eens om je heen in restaurants bijvoorbeeld. Maar ook in de politiek wordt het debat vaak via de digitale lijn bepaald; twitteren opinieert. Vandaag val ik terug op een oude gewoonte om over dat nieuwe verschijnsel met jullie een aantal inzichten te delen. Ik schreef een brief aan professor Gert de Roo, met wie ik samen aan de Faculteit Ruimtelijke wetenschappen aan de Rijksuniversiteit college mag geven in de opleiding technische planologie.

Aan professor de Roo, beste Gert,

(1)

De processen, die leiden tot besluitvorming over de bestemming, de inrichting en het beheer van de fysieke ruimte, onze openbare gebouwde en ongebouwde omgeving zijn het stiefkind in de geografie. Als we de verhouding, de wisselwerking van de mens tot de ruimte bestuderen, is de studie naar de best mogelijke uitkomsten dominant. In de planologie gaat het ook om de afweging van veel belangen. Je schrijft in je Abstracties van Planning (2013): “De planning van de fysieke leefomgeving kent (…) een democratische component, waarbij met verschillende –soms tegengestelde – belangen rekening moet worden gehouden”. Het gaat, zo schrijf jij, veel over besliskunde in de planologie. Het gaat over afwegingen van belangen, maar wie heeft een doorslaggevende rol in die afweging? In het Liber Amicorum voor prof. Tamsma (1987) van onze faculteit constateerde ik, dat de (politiek-) geografen de gevolgen van het politiek gedrag bestuderen en niet de besluitvorming als zodanig. Besluitvorming is een verwaarloosd object binnen de geografie, hoewel Tamsma in een brief aan mij toegaf, dat verklaringsdoel en verklaringsmiddel niet zelden onmogelijk zijn te scheiden. Voor de wetenschappelijke zuiverheid (zeker in een referaat gericht aan studenten) zou dat wel moeten. Maar toch: besluitvormingsprocessen blijven, zo schrijft hij, het middel dat helpt verklaren waarom beleid in een zekere vorm is gevoerd. Dus voor alle duidelijkheid: besluitvorming en beleidsconstructie zijn weliswaar geen object van ruimtelijke studie, maar als verklaring waarom beleid op een bepaalde wijze is uitgepakt kan het niet ontbreken.
Hoe macht wordt gevormd is hoe dan ook relevant voor de vormgeving van onze fysieke ruimte. Beste Gert, professor de Roo, jij hebt mij gevraagd die betekenis van besluitvormingsprocessen te onderbouwen, en de werking voor onze studenten te verklaren. Vandaag een kleine opmaat daartoe en vooral de uitdaging om verder door te denken. De ontwikkeling van de digitale technologie laat de democratie niet onberoerd; althans we moeten er ons van bewust zijn dat er kansen en bedreigingen zijn voor de wijze , waarop we vandaag de dag in westerse democratieën tot besluiten over de openbare ruimte komen.
Ruimte en macht zijn twee begrippen, die onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Wie heeft doorslaggevende invloed uitgeoefend op de uitkomst van de beleidsconstructie in de strijd op het politiek-ruimtelijke toneel? Ging dat volgens westerse democratische lijnen of is er op andere wijze macht uitgeoefend om tot een bepaald resultaat van ruimtelijke bestemming, inrichting en beheer te komen? Wie waren de machthebbers en welke methoden zijn gebruikt om zijn of haar zin door te drijven? In het vervolg van deze brief aan jou, Gert, laat ik een paar ontwikkelingen de revue passeren en probeer aan te tonen, dat we in de besluitvormingsprocessen, die de ruimte regarderen aan de vooravond staan van fundamentele veranderingen.

(2)

Wij leven in de Westerse wereld in de veronderstelling dat de representatieve democratie de beste weg is om te komen tot besluitvorming. Kort gezegd : one man one vote, en een mandaat voor de gekozenen. Maar hoe de stem tot stand is gekomen en binnen welke beperkingen de stem is uitgebracht en hoe het mandaat wordt uitgeoefend, daarover bestaan vele verschillende inzichten. Immers, zoals de grote denker uit de 17e eeuw Thomas Hobbes (1985) schreef in zijn “ Leviathan” : “ de universele geneigdheid van de mens is een aanhoudende en rusteloze begeerte naar macht, die pas eindigt met de dood “. En dus bestaan er wetmatigheden van goed bestuur, die we in het Westen omarmen, maar die juist vanwege die geneigdheid naar macht verschillend door “machthebbers” wordt ingekleurd.
Enkele decennia voor onze jaartelling (en Gert je weet, dat ik gebruik maak van zijn superbe inzichten) schreef de Romeinse denker en staatsman Cicero (Freeman, 2013) een aantal belangrijke lessen voor goed bestuur. In de veranderingen, die ik zie optreden in ons democratisch bestel, nu en in de toekomst, is het goed deze in gedachten en levend te houden. Zoals zijn uitgangspunt dat ieder gelijk is voor de wet, dat er altijd een evenwicht van machtsfactoren moet zijn, en dat intelligentie en compromis geen vieze woorden zijn in goed bestuur. Maar ook wijze raadgevingen, bijvoorbeeld dat het slim is je vrienden dicht bij je te houden in de politiek, maar je vijanden nog dichterbij. Als ik vandaag stap voor stap tijdens mijn gedachtegang kom bij een andere wijze van machtsvorming in relatie tot de fysieke ruimte dan blijf ik bij Cicero’s uitgangspunten. Waarde professor, Gert!, jouw collega bestuurskunde Paul Frissen tekent in zijn boek “ De fatale staat” (2013) op, dat in het proces van representatie de politiek tot stand komt. Is representatie, door de kiezers overgedragen macht, zoals hij zegt, zo cruciaal, dat alle andere vormen van het uitoefenen van macht over de invulling van de ruimte onacceptabel zijn? Zou hier een incrementeel handelen, stap voor stap de goede weg uitproberend, vanuit de politiek op weg naar andere vormen van besluitvorming niet passend zijn. Een adaptieve democratie, die meegaat op de golven van de verandering van de maatschappij, is toch verre te verkiezen boven één, die uitgerangeerd is. Of anders geformuleerd: een democratie, die ruimte maakt voor de inwoners, die zich niet gerepresenteerd voelen en die op andere wijze invloed willen op de vormgeving van de ruimte.
Zoals David Van Reybrouck, de Vlaamse romancier en journalist, helder heeft aangegeven in zijn “Tegen de verkiezingen” lijkt de sleet erin te zitten in onze Westerse democratie. Dan terug naar de loting van onze volksvertegenwoordigers ? Deze oplossing van Van Reybrouck is een aardige, historisch bepaalde, vondst. Maar de mogelijkheden van het huidige gedigitaliseerde tijdperk lijken aan hem voorbij te zijn gegaan. Juist in het pleidooi van Frissen om aan te koersen op een overheid, die afstand houdt, niet voor alle problemen direct zelf oplossingen aandraagt, die nee kan zeggen, en die van beleidsmatig voortmodderen een “normatief wenselijk repertoire” maakt, is aanleiding de homo digitalis de “ruimte te geven”.
Nederland is in de informatie- en communicatietechnologie ver ontwikkeld. En als de inspanningen om tot een excellent werkende generieke digitale infrastructuur te komen zal slagen (en waarom niet?), dan zal nagenoeg alle, niet privacy-gevoelige, informatie kunnen worden gedeeld. Anders dan nu nog vaak het geval is waar informatie wordt afgeschermd en het oude adagium, dat kennis macht is nog opgeld doet. De “digitalisering” van de Nederlandse bibliotheken zal daar zeker aan bijdragen.
Wij staan in Nederland voorop in de wereld als het gaat om e-Government, een aanduiding voor openbaar bestuur, dat maximaal gebruik met van de electronische, digitale mogelijkheden. In een land waar het aantal inwoners dat toegang heeft tot internet tot de hoogste van de wereld behoort, ruim 96%. En we hebben een behoorlijk vangnet, bijvoorbeeld in de openbare bibliotheken, voor hen, die minder vaardig zijn met de nieuwe media. In de laatste in 2014 gehouden e-Government survey van de Verenigde Naties behaalden we de eerste prijs voor de toepassing van e-participatie. Nederland scoorde vooral hoog op electronische informatie en consultatie, maar minder op “e-decision-making by empowering people through co-design of policy options (…)”. Digitale besluitvorming staat nog aan het begin zou je kunnen concluderen of staat de representatieve democratie stevig in de weg?

(3)

Terwijl ik je deze brief schrijf, waarde Gert, professor, ligt er een stapel boeken om me heen. Allemaal wijzen ze de weg naar mogelijkheden en gevaren van een participatie- democratie. Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondersteunt met denkkracht en soms euro’s de doe-democratie, maar allemaal gedacht binnen het huidige democratisch model. Onderwijl wacht ik actief en in reflectie op het Kairos-moment; ik refereer hier aan de Griekse god van met die grote kuif om het geschikte ogenblik te grijpen. Het is duidelijk dat alle mogelijkheden tot interventie voor de burger moeten passen in de representatieve democratie; dat is steeds het uitgangspunt. Maar waarom zouden betrokken en slimme inwoners niet meer ruimte gegund worden. Is dit het moment om daar vóór te pleiten. Of is het moment , het Kairos moment om die stap in ons denken te maken er nog niet. Ik waag het erop, wachten, geduld is toch niet mijn sterkste eigenschap. Niets is immers mooier (dat vind ik tenminste) om iets nieuws te bedenken, iets nieuws te beginnen.
Tegelijkertijd, zo schrijft Joke Hermsen in haar prachtige boek “Kairos” is er de vraag naar de juiste maat. Ik citeer : “Want nu de homo digitalis mobilis en de digitalisering van de wereld onomkeerbare feiten zijn, is het van belang ons denken zo aan te scherpen, dat we de impact van de digitale transformatie ook kunnen begrijpen en duiden en er vervolgens naar kunnen handelen”. Dit uitgangspunt geldt ook de uitdaging na te denken over de betekenis van de digitalisering voor de representatieve democratie. En dan doel ik niet op het verstorende twitter-verkeer tijdens vergaderingen van gemeenteraden of de reply to all-mail, waardoor een vraag- en antwoordspel tussen volksvertegenwoordiger en bestuurder ineens een tsunami van mails veroorzaakt vol met irritaties, frustraties en halve en hele beledigingen. Nee, ik probeer na te gaan of en hoeverre digitalisering een antwoord kan zijn op de haperende representatieve democratie. Onze democratie, die meer en meer lijdt onder fragmentatie en polarisatie. Als minder dan de helft van de Nederlanders naar de stembus gaat en compromisloze meerderheidspolitiek leidt tot beslissingen op basis van de helft plus één dan ligt er mogelijk een kans om weer een stap te doen in het betrekken van de burgers bij de besluitvorming over de ruimte; hen meer macht te geven via het digitale netwerk.
Eén van jouw voorgangers, Gert, op onze faculteit was professor van den Berg. Hij voedde ons op met de definitie : een inspraak zonder inzicht geeft een uitspraak zonder uitzicht. In die tijd was invloed van de inwoner en het bedrijfsleven maar beperkt. Immers om het informatie- en kennisniveau van de overheid te halen moest er worden gesoebat, te hoop gelopen en zonder de Wet Openbaarheid van Bestuur gedreigd, soms tot bezettingen toe. Meestal kwam het niet verder dan inspraak op basis van meningen
( al of niet vooropgestelde opinies) tegenover een overheid in een superieure verdediging. Door de snelle opgang van de informatiemaatschappij en ondersteunende wetgeving staan we er nu volledig anders voor. Ook met de Oud Hollandse methode, dat wil zeggen met alle belanghebbende partijen om de tafel, als basis daarvoor. Deze kan onderdeel uitmaken van hetgeen nu mogelijk wordt gemaakt door nieuwe technologieën. Via de interactieve beleidscommunicatie zo beeldend beschreven door publicist en geograaf Robbert Coops in zijn boek “Publieke communicatie” (2004) zijn we in de digitale maatschappij getuimeld.
Maar nog steeds is de prangende vraag van Coops aan de orde: “hoe zit het met de politieke betrokkenheid en de mate waarin inbreng van burgers en organisaties ook daadwerkelijk worden meegenomen in de besluit- en oordeelsvorming”. Meebeslissen is er nog niet bij. En het lijkt wel of we dat ook verre van ons willen houden. Als besluitvorming daadwerkelijk zou worden overgedragen, zoals de verkiezingsslogan van de PvdA suggereerde met: “de buurt is de baas”, dan hebben we heel wat democratische dilemma’s op te lossen. Zoals ook de hoogleraar bestuurskunde Roel in ’t Veld treffend in zijn essay over de toekomst van de gemeenteraad : Een tedere balans (2013), aangeeft. Bijvoorbeeld tot welke grens we bereid zijn participerende burgers besluiten te laten nemen met externe effecten? Actief burgerschap kent veel interventiemethoden. In het actie-programma Lokaal Bestuur, dat in een tijdschrift rapporteert over de veranderende relatie tussen samenleving en overheid, blijven we steeds aan de veilige kant. Zeggenschap voor burgers binnen de grenzen van de wet, en binnen de grenzen , die de gemeenteraad vaststelt. Is dat vol te houden in de huidige tijd, waarin steeds minder mensen zich herkennen in het debat binnen diezelfde gemeenteraad?

(4)

Waarde professor de Roo, Gert, “De Cirkel” van Dave Eggers ligt in elke boekhandel en beschrijft in een mooi verhaal hoe de digitalisering de maatschappij verandert. En hoe uiteindelijk door die nieuwe technologie het democratisch handelen wordt aangetast.
De eerste fundamentele aanpassingen van de sturingsmodellen van staat en stad, die van de 19e eeuw, lopen achter grote maatschappelijke revoluties aan, zoals de industrialisatie. En nu weer, is mijn overtuiging, zal de nieuwe technologie, de digitalisering nu, de huidige sturingsmodellen op zijn kop zetten. Bestuurs- en communicatiedeskundigen zijn het eens, dat het huidige model, dat van de autonome representatieve democratie niet meer voldoet. Zij stellen, zoals eerder opgemerkt, dat aan de interactieve besluitvorming grenzen zitten. De participatieve variant, dus meedoen, maar nog niet meebeslissen, lijkt nu als een vervolg op die vorm van besluiten voorbereiden en nemen, voluit omarmd te worden. Maar is dat een voldoende antwoord op de veranderende tijden?
Er zijn ook prachtige voorbeelden te geven, die het succes van die vorm van meesturen illustreren. De federatie Broekpolder in de gemeente Vlaardingen is daar één van. Vanuit een actiegroep tegen verdere woningbouw ontstaan groepen inwoners, die binnen kaders door de gemeenteraad gesteld een nieuwe alternatieve inrichting van het gebied bedenken, uitvoeren en beheren. In een convenant tussen federatie en gemeentebestuur zijn ieders verantwoordelijkheden vastgesteld. Maar altijd binnen de wettelijke regels, zonder overdracht van bevoegdheden. De digitale wereld maakt het makkelijk elkaar te vinden, ideeën te ontwikkelen en meningen te peilen. Zoals de voorzitter van de Federatie Broekpolder mij meldde: we hoeven niet meer eindeloos rond te fietsen en avond aan avond vergaderingen te beleggen om tot standpunten te komen, acties uit te zetten en afspraken te maken. Een dergelijk, ook wel high potential burgerinitiatief, gedijt in een digitale context. In beleid en Maatschappij (2011) beschrijft Fred Meerhof (één van de denkers achter het Vlaardingse burgerinitiatief) de vergaande bemoeienis van de burgers met het overheids- in het bijzonder het gemeentelijke domein. Het lijkt het oude en bekende concessiemodel, waar we in Nederland veel ervaring mee hebben. Of op een variant op privaat-publieke samenwerking. Maar anders dan bijvoorbeeld in de UK zijn er in Nederland geen concrete stappen bekend om op basis van wetgeving, burgers meer rechten te geven. In de Localism Act zijn in de UK buurtrechten voor burgers vastgelegd. Verantwoordelijkheden en rechten van en binnen de representatieve democratie worden neergelegd bij burgers. Uiteraard onder voorwaarden. Burgerinitiatieven juist gericht op de bepaling van bestemming en inrichting van de fysieke ruimte zouden voor wat meer toedeling van die macht in aanmerking kunnen komen. Via het “world wide net” is eenvoudig een debat te organiseren, zijn opinies te peilen en stemmingen te houden.
Onze Oud Hollandse beleidsconstructies (belangengroepen praten met elkaar tot men het eens is) gaat in de richting van de typisch Amerikaanse wijze van beleid maken: elke individuele burger praat mee. Een vergaande vorm van macht en bevoegdheden leggen bij burgers is in de USA bijvoorbeeld de juryrechtspraak. Overdracht aan meer burgers is een volgende stap. En hoe kun je dat beter organiseren dan via de mogelijkheden van de gedigitaliseerde wereld. De technologie maakt een verandering in ons meer dan honderd-en-vijftig jaar oude besturingsmodel mogelijk. Dat is wat anders dan het grote burgerinitiatief dat zo’n tien jaar geleden in Nederland onder voorzitterschap van de toenmalige tv-persoonlijkheid Jacobien Geel is opgezet. De uitkomst zou voor de volksvertegenwoordiger bindend zijn, zo was beloofd. Zelden is echter na zoveel inzet het resultaat door het toenmalige kabinet zo snel en definitief naar de prullenmand verwezen. Dan is het Vlaardingse burgerinitiatief een stuk beter, maar toch nog steeds gebonden aan die oude democratie.
Hier en daar nemen steden nu verdergaande stappen. In Amsterdam is in 2013 door de gemeenteraad een motie aangenomen met de opdracht aan het college van burgemeester en wethouders om met een Buurtwet te komen. Dat resulteerde in een sociaal contract met een basisrecht op meer zeggenschap voor de inwoners. Daarin zit veel experimenteerruimte. Maar ook de platformgedachte, waarbij met gebruik van nieuwe media op een andere manier(!) tot besluitvorming gekomen kan worden.
Waarde Gert, geachte professor, langzamerhand begint het idee post te vatten, dat de representatieve democratie niet meer het podium bij uitstek is om de strijd om de macht over de ruimte te voeren. Via een waaier van mogelijkheden zoals de inspraak, interactieve beleidsvorming, privaat-publieke samenwerking, co-design, de doe-democratie , het participatie model, het Vlaardinger federatie-convenant wordt het tijd ruimte te geven aan de burger, die invloed wil, omdat die zich niet meer vertegenwoordigd denkt in de volksvertegenwoordiging.

(5)

Ik bewandel even een zijspoor om aan te geven hoe politiek gebruik kan maken van nieuwe technologie en indirect macht legt bij de burger buiten de representatieve democratie om. Gefascineerd door de manier van campagnevoeren in de USA, zo indringend beschreven in het boek “ The Candidate”, (door een anoniem gebleven goed ingevoerde journalist in 1996) legde ik als verantwoordelijk partijvoorzitter aan mijn partijleider voor voorzichtig dat voorbeeld te volgen. Dit speelt in de beruchte verkiezingsstrijd in 2001/2002, die eindigde met de moord op Fortuijn. Mijn voorstel was om elke dag een electronische peiling onder de bevolking over een actueel onderwerp te houden en dan in de campagne op die dag aansluiten bij de mening van de meerderheid. Met uiteraard een eigen liberaal sausje in ons geval.
“Social media” bestonden toen nog niet, maar dat zou deze lijn nog meer overtuiging hebben gegeven. Maar mijn politieke aanvoerder, ook een groot tegenstander van de dominantie van de televisie, de beeldmedia, in de politiek, weigerde. En toen ik de macht van de partijbaronnen, ontstaan door de interne representatieve partijdemocratie wilde breken door leden rechtstreeks invloed te geven, bijvoorbeeld door te stemmen via internet over verkiezingslijsten was de weerstand groot. Die directe invloed, de directie democratie dus zonder de lijn van de partijbaronnen, is tot stand gebracht, maar ik zie de onwennigheid om er “gewoon” mee om te gaan.
Nu, geachte professor de Roo, moet U me toestaan wat normatiever in mijn redeneer-lijn te worden. Ruimte en macht worden nu bepaald , ondanks alle door mij aangegeven varianten van invloed van burgers en bedrijfsleven, door de representatieve democratie. Een bestuursmodel waar we heel erg blij mee mogen zijn, en dat mede onze “state of law” vorm geeft. Maar als het ons serieus is de inwoner van de stad, juist misschien wel in de nu gepropageerde “smart cities”, (slimme steden, waar slimme ICT-technologieën steden veiliger, schoner en efficiënter maken dus) echt invloed te geven en een deel van de macht over de ruimte te laten overnemen, dan is een integer proces goed digitaal te organiseren. Ik ga ervan uit, dat de agenda Stad, waarvoor ook in Europees verband door de Nederlandse topambtenaar Frequin het initiatief is genomen, dit onderwerp meeneemt.
En zoals met alles moeten we daarbij altijd verdacht zijn op misbruik, de woorden van Hobbes indachtig : de mens is de mens een wolf.
De directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, Maarten Hajer schrijft in zijn onlangs uitgegeven essay “ slimme Steden” (2014), dat het de kunst is bij planning gebruik te maken van de intelligentie van energieke burgers. Zij moeten betrokken worden bij het beheer van diensten én hun eigen buurt. Maar hij blijft het belang van het politieke debat om tot beleidsvorming te komen onderstrepen; pas op voor nieuwe technocratische bestuurs-varianten! Dus, begrijp ik, alles wordt beter in de slimme stedelijke gebieden (waar 85 % van de Nederlanders wonen), maar vooral géén slimme aanpassingen van het democratisch proces van besluitvorming onder invloed van diezelfde zich snel ontwikkelende ICT-technologieën.

Ik weet dat voor de “echte” democraten het vervangen van een stuk representatieve democratie een brisant vraagstuk is. Toch wil ik dit sluitstuk van de redenering niet vermijden; immers teveel wordt gedaan alsof er sprake is van directe invloed. Maar feitelijk wordt er geen macht overgedragen, want –zo is de doorsnee politieke mening- de burger is onvoldoende geïnformeerd, het burgerinitiatief vertegenwoordigt te weinig de achterban, en een behoorlijk opiniërend debat ontbreekt. Ik zou zeggen dat in de huidige meritocratie (in Jip- en Janneke taal : het bestuur door de gestudeerde bovenlaag van de bevolking) veel van dezelfde verschijnselen zich voordoen. Met een goed werkende generieke digitale infrastructuur is informatie-uitwisseling tussen overheid en burgers en bedrijfsleven eenvoudig. En op een behoorlijke wijze een opiniepeiling houden een fluitje van een cent. De uitkomst vervolgens besluitvormend te laten zijn is een kwestie van verdere wetgeving. En dat moeten we dan maar (via de agile-methode) stapje voor stapje uittesten wat het beste werkt zonder nadelige bijwerking.
Echte macht dus uiteindelijk beleggen bij de buurt, bij een burgerinitiatief dat een convenant over een deel van het gemeentegebied met de gemeenteraad heeft gesloten, bij een groepje burgers dat zelf en zelfstandig en autonoom een taak van de overheid wil en kan uitvoeren. Het in 2011 uitgebrachte en genegeerde rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid: iOverheid (2011), geeft een aantal treffende voorbeelden. Maar vraagt terecht ook aandacht voor de dan optredende dilemma’s rondom de legitimiteit. ( Het gebruik van de tandartsknop bewijst dat verantwoordelijkheid geven aan mensen meestentijds goed afloopt: met de tandartsknop kan de patiënt in de stoel de behandeling subiet stoppen als het hem of haar teveel wordt. En wat blijkt: hoeveel pijn en stress ook bijna geen enkele patiënt gebruikt de knop. Men neemt de verantwoordelijkheid voor het voortzetten van de niet plezierige, maar wel nuttige behandeling)

(6)

Waarde Gert, hooggeleerde heer, ik sluit af.
Mijn hele leven ben ik actief op het terrein van het openbaar bestuur. Besluitvormingsprocessen intrigeren mij. En als geograaf leg ik vaak de relatie met de ruimte; grenzen, domeinen, ruimtelijke ontwikkelingen, stad en ommeland. De invloed, de effecten van het menselijk handelen vragen voortdurend om kritische reflectie. Altijd is er een strijd geweest en die zal er ook altijd blijven over het gebruik van de schaarse ruimte. In het vak van de technische planologie geef jij aan toekomstige beleidsmakers, die zich gaan bezighouden met de relatie tussen menselijk handelen en de fysieke ruimte, een denkkader mee. Ik beschouw het als een eer, dat jij me gevraagd hebt samen met jou kennis te delen met de studenten aan onze faculteit.
Contingentie, de bepaaldheid door het toeval, is op dit moment zeer aanwezig. Als Nationaal Commissaris voor de Digitale Overheid is het mijn opdracht er voor te zorgen, dat de hele Nederlandse Overheid voluit in de digitalisering van de samenleving mee doet. Een digitalisering, die zo heb ik betoogd, een verandering van onze representatieve democratie zal afdwingen. Juist op het domein van de planologie, het nadenken over de inrichting van de ruimte zijn grote kansen om daarin ervaring op te doen. Tegelijkertijd zal het nodig zijn om informatie toegankelijk en beschikbaar te hebben. Bijvoorbeeld uit de basisregistraties, zoals over bestemming, gebruik en eigendom van gronden en water. Het beheer van de Waddenzee kan vanuit alle aangewezen beheerders als het ware als één optreden doordat informatie, die daarvoor nodig is “real time” beschikbaar te hebben en met elkaar te delen. In mijn rol als voorzitter van het Regiecollege voor het Waddengebied mag ik daarin mijn aandeel hebben. Dat ik mag meedenken, op uitnodiging van onze decaan, over wat onze Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen kan bijdragen in reflectie, wetenschappelijk werk en opleiding in deze hectische tijden is als een kers op een toch al hele mooie taart.

Kairos is de Griekse god van het geschikte moment, die je bij de kuif moet pakken als de tijd rijp is, maar waarbij het momentum ook zo weer voorbij kan zijn. En dan ben je te laat. Ik zie toenemende frustratie bij inwoners en bedrijven over de besluitvormingsprocessen over onze openbare ruimte. Meepraten is niet meer genoeg, de inwoner wil meebeslissen, niet één keer in de vier jaar, maar voortdurend. Daar moet ruimte voor worden gemaakt. Ik observeer de mogelijkheden van de digitalisering en ik denk dat er sprake is van een Kairos-moment. Laten we nu, onder voorwaarden zoals de WRR heeft aangegeven, verantwoordelijkheden overdragen aan burgerinitiatieven.

Er zijn twee manieren waarop soevereine macht wordt verkregen, schrijft Thomas Hobbes in 1651. Ten eerste door natuurlijk overwicht. En ten tweede, wanneer mensen onderling overeenkomen om zich uit vrije wil (…) aan een vergadering te onderwerpen. Die vergadering , is mijn pleidooi, zou soevereiniteit terug kunnen geven als mensen elkaar vinden via slimme digitale netwerken én daarom vragen. Het zou de kwaliteit van de samenleving voor ons object van studie: de planning van onze openbare ruimte kunnen verhogen. En zeker ons aller betrokkenheid daarbij.


Beste Gert, ik dank je voor de samenwerking, en met jou dank ik al diegenen, die de tijd hebben genomen naar mijn brief aan jou te luisteren. De gelegenheid, Gert, die jij samen met de decaan en collega’s aan mij biedt om, als docent honorair, een geografische bijdrage aan het vak technische planologie te mogen geven is een intellectuele uitdaging. De reciprociteit van onze verbinding is een te koesteren gegeven.
Een brief dus, die thuis leidde tot een Socratische dialoog met mijn Anke over wetenschapsfilosofie en de betekenis van de ideeën van Socrates, meer dan 2500 jaar geleden, maar nog springlevend, over het betrekken van de bevolking bij het bestuur. Ik ben haar dankbaar voor haar voortdurende vragen en daardoor mij te verantwoorden voor mijn overwegingen en redeneringen.
En hoewel ik geleerd heb om elke speech, elke brief met het plezierige te beginnen (“nice things first’, zoals de voorzitter van de Raad van Bestuur van onze Rijksuniversiteit mij altijd voorhoudt) wil ik deze keer eindigen met “the nice thing”, namelijk met diegenen waar het echt omgaat: de studenten! De taak, die ik mag vervullen aan onze Faculteit en in het bijzonder voor de basiseenheid planologie, gaat om het ontwikkelen van een academisch denken enerzijds en inzicht geven in de praktijk van alle dag aan de andere kant. Socrates zei het al : Werkelijke kennis is altijd verbonden aan de praktijk. De studenten kunnen profiteren van de synthese van beide werelden. Hen uit te dagen daarover mee te denken, in de turbulentie van de 21e eeuw, dat is een eer én een feest.


Ik teken met de meeste hoogachting, bas

Het goede moment

Bij alles wat je doet is timing cruciaal. Je kunt nog zo gelijk hebben, je krijgt het niet als je opinie, je gedachte, niet op het goede moment wordt gelanceerd. Wanneer kunnen we Kairos, de Griekse god van het geschikte ogenblik bij zijn kuif grijpen? In het huidige tijdsgewricht van (onder andere) digitale transformatie is dat opnieuw een prangende vraag.

“ Geachte heer Eenhoorn,
Hierbij laat ik u weten in het geheel geen prijs te stellen op uw ‘interactieve communicatie-technologie’, uw ‘geïntegreerde digitale netwerken’, en al helemaal niet op uw ‘home active terminals’. Men moet met de tijd meegaan?!? Ik moet helemaal niets, meneer Eenhoorn!
Met vriendelijke groet, wg de burgemeester “
(door hem geschreven met een vederen pen, geruggesteund door de bode met bodebus)

Deze brief kreeg ik, vervat in een cartoon in het VNG magazine, zo’n twintig jaar geleden. Ik had me als voorzitter van de VNG-commissie, die adviseerde over informatiebeleid , beleidsontwikkeling en automatisering (IBA) nogal druk zitten maken over de inertie van de gemeentebestuurders. Hun trage reactie op de nieuwe mogelijkheden van de digitale wereld. Immers het gaat om techniek, zo was communis opinio onder de bestuurders, die het vergemakkelijken van de ambtelijke bureaucratische procedures en processen zou bewerkstelligen. Het was geen politiek, hooguit een nieuwe claim op de beperkte middelen of wie weet een mogelijkheid om te bezuinigen.

Die afstandelijke houding van bestuurders is totaal veranderd. Ik mocht afgelopen week te gast zijn bij de nieuwe volwaardige VNG-commissie, die zich met de digitalisering en dienstverlening bezig houdt. Daar wordt hard gewerkt aan een stevige inbreng van gemeenten bij de ontwikkeling van de generieke digitale infrastructuur. Op het congres van de Nederlandse gemeenten, juni 2015, staat het onderwerp op de agenda. Er zullen dan vergaande besluiten worden genomen over de betrokkenheid van de gemeenten bij deze ontwikkeling. Gemeenten verspijkeren per jaar ongeveer 1.2 miljard euro aan ict. Een belangrijk deel heeft te maken met de dienstverlening aan burger en bedrijfsleven. Om de effectiviteit en het gebruiksgemak aanzienlijk te vergroten is de generieke digitale infrastructuur van groot belang. Afspraken over de grote basisregistraties, over uitwisseling van gegevens, over de ontwikkeling van eID, over noodzakelijke wetswijzigingen en nog veel meer, vragen ook om een sterke rol van de gemeenten.

Ondertussen is het steeds duidelijker , op weg naar het eerste Nationaal Beraad over de digitale overheid, waar alle overheden en uitvoeringsorganisaties (van de belastingdienst, UWV tot en met de kleinere agentschappen) bijeen zijn, dat het geschikte moment eraan lijkt te komen. De urgentie wordt gevoeld om gezamenlijk beslissingen te nemen, om buiten de grenzen van het eigen domein te treden, om met voorbijgaan van het eigen belang ‘het geschikte ogenblik’ te pakken. In haar boek Kairos schrijft Joke Hermsen over de homo digitalis, die moet worden gemaand even een pas op de plaats te maken om het juiste moment te vinden voor een besluit op maat. Voor de generieke digitale infrastructuur lijkt me dat moment genaderd.

Blog, 280914

De Digicommissaris, een paar puntjes op de i

Het is verbazend hoe snel allerlei beelden over de Digicommissaris zich vastzetten bij vaak niet de eerste de beste. Beelden, die dan wel niets met de werkelijkheid te maken hebben of wel veel te maken hebben met het verwachtingspatroon, dat er hier en daar bestaat. Het idee, wat de Nationaal Commissaris Digitale Overheid gaat klaarstomen, liever nog gisteren dan vandaag. Hetgeen men zich voorstelt loopt uiteen van het afvalpotje van alle vastgelopen projecten, de deus ex machina voor alle onopgeloste problemen tot en met de heerser van Machiavelli, die iedereen in het gelid zet.

Laten we eerst nog even kijken naar de opdracht, die ik als Digicommissaris heb gekregen. In de brief aan de Tweede Kamer schrijft het kabinet die als volgt:
“ De nationaal commissaris digitale overheid (NCDO) krijgt de opdracht beleidsontwikkeling en vernieuwing aan te jagen, daarmee de totstandkoming van (voorzieningen voor) de digitale overheid te bevorderen, het beheer van essentiële voorzieningen te borgen en het gebruik van die voorzieningen te stimuleren. De NCDO stuurt op het realiseren en op het effectief gebruik (baten) van de generieke digitale infrastructuur (GDI). De nationaal commissaris stelt de GDI samen uit bestaande en in ontwikkeling zijnde voorzieningen, standaarden, basisregistraties en producten die essentieel zijn voor zowel het functioneren van de overheid als voor haar (digitale) dienstverlening aan burgers en bedrijven”. Vervolgens geeft het kabinet aan een ministeriële commissie in te stellen (hetgeen één dezer dagen zal gebeuren), waaraan ik beleidsmatig zal rapporteren. In alle onafhankelijkheid voeg ik daaraan toe. Dat voor die berichten aan de ministeriële commissie draagvlak moet worden gevonden is buiten kijf. Dat doe ik door met alle betrokkenen te spreken en door in het collectief van het Nationaal Beraad Digitale Overheid tenslotte overeenstemming te bereiken. In dit Beraad zullen een aantal bestaande overleggen als bijvoorbeeld het college Standaardisatie worden opgenomen.

Waarom schrijf ik dit nog eens zo uitgebreid op. Dat is vooral om te voorkomen dat we verkeerde verwachtingen (en beelden) tot wasdom laten komen. Het rapport “ Geen goede dienstverlening zonder een uitstekende Generieke Digitale Infrastructuur” of wel het rapport Kuipers is dan een prima richtlijn. Verschillen in interpretatie van het rapport en van de opdracht aan de Digicommissaris kan ik niet voorkomen, maar ik zal niet nalaten die uitgangspunten steeds in herinnering te roepen. En ik herhaal ook nog eens, dat ik niet na zal laten erop te wijzen, dat ik er ben om ons met elkaar uit het moeras te trekken. We zijn geen baron von Münchhausen gebleken en we hebben geen overeenstemming kunnen verkrijgen over de drieslag (in willekeurige volgorde) infrastructuur, governance en financiën van de digitale overheid. Over domeinen en programma’s heen ga ik dié uitdaging aan. En ondertussen gaan we ontspannen werken aan het creëren van de goede beeldvorming.

Blog060914

Van Burgemeester naar Digicommissaris

Blog 290814

Van Burgemeester naar Digicommissaris

Op 1 september 1976, ik was toen 29, zei ik op mijn installatie als burgemeester van Schiermonnikoog: “Wanneer er een hartewens in vervulling gaat, wanneer je geroepen wordt het zozeer begeerde ambt van burgemeester te gaan vervullen, dan is het moeilijk nuchter en relativerend te blijven”. En zo heb ik daarna tal van taken in het openbaar bestuur mogen vervullen, 25 jaar in het burgemeestersvak, de rest in het bedrijfsleven. En steeds waren er uitdagingen, die een zekere euforie bij mij opriepen. Een voorrecht dus om zo aan de slag te mogen zijn. In 1976 waarschuwde ik voor drie, mijns inziens, gevaarlijke trends in de maatschappij en het openbaar bestuur.
De toenemende centralisatie, waarvan ik vond dat die in de kiem moest worden gesmoord. Ik haalde de Tocqueville aan met te zeggen dat één van de waarborgen voor de vrijheid is gelegen in de plaatselijke democratie. Een tweede tendens, die ik vermeldde was de polarisatie: funest voor het openbaar bestuur was toen mijn kwalificatie daarvan. Ik pleitte voor de weg van het compromis, van het volgen van een afwegingsproces. Fragmentatie was de derde lijn, die ik ontwaarde. De maatschappij dreigt uiteen te vallen in groepen, die uitsluitend één belang verdedigen, namelijk het hunne.

Nu ben ik sinds 1 augustus Digicommissaris; het kabinet heeft mij opgedragen om als Nationaal Commissaris Digitale Overheid een nationaal programma voor de digitale overheid op te stellen, die te actualiseren, en de regie te voeren over de uitvoering en de realisatie daarvan door alle overheden en uitvoeringsorganisaties. Het is moeilijk om daarbij nuchter en relativerend te blijven, want we bevinden ons in een snel veranderende maatschappij onder invloed van zich in razend tempo ontwikkelende digitale wereld. Het is mijn overtuiging dat de invloed op ons gedrag, op de verhoudingen in de maatschappij ( het adagium kennis is macht gaat ten onder, want kennis wordt gedeeld en is van iedereen) en op het openbaar bestuur nog stelselmatig wordt onderschat. Centralisatie, polarisatie en fragmentatie komen in en ander daglicht te staan. In mijn aanvaardingsrede als docent honorair aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen ga ik daar verder op in.

Na de eerste weken verwerk ik nu alle indrukken van de veelheid aan interessante mensen, die ik mocht ontmoeten, en de informatie en meningen, die mij zijn voorgelegd. Een paar zaken zijn ondertussen wel duidelijk geworden. Het is de eerstverantwoordelijke bewindslieden voor de digitale overheid in het kabinet menens met de doelstellingen in het regeeraccoord. De burger moet, als ie dat wil, digitaal met de overheid kunnen communiceren over alles wat er toe doet, en éénmalig je gegevens (als burger of bedrijf ) aanleveren volstaat. Daar wordt hard aan gewerkt, maar er is regie nodig, en ruimte om knopen door te hakken. Ik werk nu aan een plan van aanpak, maar het is duidelijk dat er een paar heldere uitgangspunten zijn. Daaraan wil ik vasthouden. Er moet tempo (!) gemaakt worden, we moeten ons richten op enkele prioriteiten, die raken aan de financiën en het sturingsvraagstuk (voor de burger is er één overheid) en bedenk elk moment de relevantie van goed werkende digitale overheid voor de bv Nederland. Eerst de basis op orde! ( en nuchter blijven en relativeren?)

Oudtshoorn ZA

Internationale contacten van Nederlandse gemeenten worden kritisch gevolgd. En dat is goed, want vaak is ook gemeenschapsgeld hiervoor vrijgemaakt. Daarnaast is er altijd sprake van particuliere initiatieven. De vraag wordt vaak gesteld wat deze activiteiten de Nederlandse lokale gemeenschap opleveren. Wat mij betreft gaat het vooral om verruiming van inzicht in de werking van het lokale bestuur. Het stimuleren over grenzen heen te kijken en begrip te scheppen voor andere culturen zijn daar onderdeel van. Ik zie het zeker niet als een soort van ontwikkelingshulp; dat is geen taak voor het lokale bestuur.